Onze producten
Veiligheidsvoorschriften
figuur 1
figuur 2
figuur 3
figuur 4
figuur 5



De stabiliteit van de wagen is een essentieel aspect bij het monteren van een lift/zwenkarm aan een wagen. Indien een arm te zwaar belast wordt, bestaat de kans dat de wagen omvalt. Om dit te voorkomen dient te worden voldaan aan de hierna genoemde veiligheidseisen. Alvorens wij ingaan op deze eisen, geven wij in de volgende paragraaf eerst een toelichting op de situaties waarin een wagen instabiel kan worden.
Hoe groot deze verschuiving is, is afhankelijk van de lengte en de belasting van de arm. In deze figuur zal de wagen omvallen zodra het zwaartepunt aan de rechter zijde van het rechter wiel komt te liggen. De verschuiving kan worden verminderd door de wagen zwaarder te maken, onder meer door het plaatsen van apparatuur, zoals een scheidingstransformator.
Doordat de arm gemonteerd wordt aan de RVS-buis van het wagenframe, is de bevestiging in de diepterichting niet in het midden van de wagen. Hierdoor is het moment op de wagen groter als de arm naar achteren is gedraaid (zoals weergegeven in de nevenstaande figuur). Als gevolg hiervan kan de arm zwaarder belast worden als deze aan de voorzijde wordt gebruikt. Als de belasting van de arm te groot is, kan de situatie zich voordoen dat de wagen niet omvalt als de arm aan de voorzijde van de wagen wordt gebruikt, maar wel omvalt als deze naar achter wordt gedraaid.
Een ander belangrijk aspect is de belading van de wagen. De wagen zal tijdens het verplaatsen stabieler zijn als het zwaartepunt laag ligt ten opzichte van dezelfde wagen waar het zwaartepunt hoog ligt. Vanuit dit oogpunt verdient het de voorkeur de zware apparatuur zo laag mogelijk op te wagen te plaatsen. Ter illustratie zijn hieronder twee figuren opgenomen. Beide figuren geven een wagen weer die met een bepaalde snelheid tegen een opstakel rijdt. Als gevolg van het plotseling blokkeren ontstaat een voorwaartse versnelling, die samen met de verticale versnelling (als gevolg van het gewicht van de wagen) resulteert in een kracht F. Beide wagens zijn identiek, echter verschillend beladen.
De lijn L wordt bepaald door de plaats van het zwaartepunt en vormt het omslagpunt tussen omvallen en niet omvallen. In figuur 1 blijft de samengestelde kracht F onder de lijn L: de wagen zal niet omvallen. In figuur 2 overschrijdt kracht F de lijn L doordat het zwaartepunt hoger ligt: de wagen zal in deze situatie omvallen.
Onderstaand overzicht geeft de verschillende categorieen korte en lange armen aan en welke combinaties met een apparatenwagen gemaakt kunnen worden.
Noot: bij het verplaatsen van een apparatenwagen dient rustig gereden te worden. Als bij een hoge snelheid tegen een laag obstakel wordt gereden (zoals een drempel), zal de wagen bij een hoge snelheid eerder omvallen, dan bij een lage snelheid.
Meer informatie over het gebruik van lift- en zwenkarmen vind u in ons technisch informatieblad.



